Goede poëzie liegt niet


 
















door Erick Kila

De gedichten in Anatomie van de grassen zijn sterk en intrigeren. De nieuwe bundel van Tijs van Bragt (Rotterdam, 1985) heeft bovendien een aangename weerbarstigheid. Van Bragt zoekt evenwicht. Hij zwenkt vaak van het eigen gemoed naar het algemene van de natuur om het persoonlijke als het ware te verdragen. De natuur die de in Zeeuws Vlaanderen wonende dichter scherp waarneemt, heeft iets archaïsch en genereert tijdloze rust van het evenwichtige soort.

‘alles was evenwichtig in orde’, zo begint een cyclus van negen gedichten. De reeks opent de afdeling ‘kartografie van een ontbreken’. Of is dat juist de titel van de cyclus? Het is niet duidelijk. Ook is er een titelloze cyclus opgenomen van twee genummerde gedichten. Net een verdwaald polletje gras in een wat onbestemd gebied. Toch blijkt het weinig evenwichtige staketsel van de bundel niet echt een bezwaar. Er zijn trouwens nog wel meer rafelranden aan te wijzen. Zo valt soms een wat grover woord op tussen het ingehouden subtiele. Die rafels bevestigen eerder de eigenheid van de gedichten, dan dat ze storend werken. Al deze gedichten horen bij elkaar doordat ze samen een ingetoomde terugblik vormen op een episode die is afgesloten. Het is dus niet nodig om ze ook nog eens in een uitgekiend verband met afdelingen, nummers en motto’s te plaatsen. Het laat zich raden wat er precies is afgesloten. Het hoeft ook allemaal niet expliciet uitgesproken te worden. Om het ‘ontbreken’ te weerstaan is het woord an sich een waarachtig hulpmiddel. En goede poëzie liegt niet.

2

je moet voor de poëzie zoals een ekster voor kralen

bij nacht stenig je het veld met een noot

je roept in de weerkaatsende lucht

om je stem te horen

de vale nacht, de valse: goudbruin als mest

Hier zit in begrippen als anatomie en kartografie een schrijnende drang om het mechaniek van gemis en troost naar de oppervlakte te brengen. Maar zou het wat uithalen? Kun je de grassen niet beter met rust laten in hun dansende samenhang? De natuur zonder al te veel omhaal is al genoeg voor de gevoelige mens.

duel

in een zwart water staat een witte reiger

om elk gedicht teniet te doen
baadt de witte reiger in de smalle, zwarte sloot

Wie in het niets staart, al is dat zelfs de ruimte van iets vertrouwds, kan zich zomaar vastklampen aan iets. In Jezus, baken en aanjager der sterren is een koperen beeldje van de Here de katalysator van gedachten uit een bezwaard gemoed. Het knappe is dat er geen gemakkelijke ironie uit dit gedicht spreekt.
Bij Van Bragt lezen we nergens gemakzuchtige frasen.

ik vroeg je naar pijn

naar de winterkoning, dood in mijn schoot
naar de vage luchtsprong die Leven heet

en zoek antwoord in je zwijgen

(…)

koperen Jezus boven de deur,

laat het waaien, de dode vogel tot kalk keren
en pijn tot scherven slaan
(…)

In deze gedichten wordt, zonder extravert gekakel, veel uitgesproken. Van Bragt verbindt als geen ander het zichtbare van de natuur met het voelbare van het menselijk innerlijk.

Tijs van Bragt: anatomie van de grassen, Uitgeverij Ezo Wolf, Sint Pancras 2026, 40p. ISBN 97890836535071

Reacties

Populaire posts van deze blog

Morele basis

De paus in lotushouding

De hoge gekte